Waar de paden smaller worden…
Hoe verder ik Den Treek in trok, hoe smaller de paden werden. Alsof het bos zijn bezoekers eerst ruimhartig ontving, maar verderop zachtjes fluisterde: Vanaf hier graag één voor één.
Mijn fiets mocht niet verder. Die bleef achter, tussen de bomen, waar ik hem tegen een stam zette.
‘Even wachten, trouwe vriend,’ zei ik. ‘Het volgende stukje moet op twee voeten.’
Voordat ik verder liep, zette ik het geluid van mijn mobiel uit. Stel je toch voor: eindelijk verschijnt er een wolf tussen de bomen… en precies op dat ogenblik begint mijn broekzak vrolijk te rinkelen!
Of er klinkt zo’n onschuldig appgeluidje.
Pling!
Wolf verdwenen. Lars met een bericht dat ook thuis gelezen had kunnen worden.
Nee, vandaag kreeg het bos mijn aandacht.
Onder mijn schoenen ritselden bladeren. Een takje kraakte, ergens tikte een specht tegen een boom. Ik bleef even staan. Zonder telefoonklanken bleek er nog heel wat te horen.
Tussen de stammen hing zonlicht in dunne gouden stroken. Ik keek naar een donkere plek onder de struiken. Bewoog daar iets?
Nee. Een tak die langzaam terugveerde.
Of misschien…
Ik liep rustig verder, tot ik in de zachte grond enkele afdrukken ontdekte. Daar hurkte ik bij neer. Sporen! Van wie precies, durfde ik niet zomaar te zeggen. Maar er had hier iemand gelopen die geen wandelschoenen droeg.
In mijn verbeelding stond achter een dikke boom een wolf naar mij te kijken.
‘Hij kijkt alweer naar de grond,’ fluisterde die tegen een andere wolf.
‘Laat hem maar,’ antwoordde de ander. ‘Hij heeft zijn telefoon tenminste stilgezet.’
Ik glimlachte en keek nog eenmaal tussen de bomen. Geen wolf te zien. Het bos hield zijn geheim zorgvuldig verborgen.
Toen ik terugkwam bij mijn fiets, stond die geduldig op dezelfde plek.
‘En?’ leek hij te vragen.
‘Wat sporen,’ zei ik. ‘En verder helaas geen wolf.’
Ik legde mijn hand op het stuur en keek nog even om.
‘Hoewel… misschien heeft er wel eentje míj gezien.’
Achter mij ritselden de bladeren.
Wie goed luistert, hoort het… het woud fluistert.