Het monster zonder klauwen

 

Het monster zonder klauwen

Er was eens een oud woud waarin de bomen alles onthielden. Elke voetstap, elke storm en ieder dier dat onder hun takken geboren werd.

Aan de rand van dat woud leefde een grijze wolf.

De mensen in het dorp noemden hem een beest. Ze vertelden hun kinderen over zijn scherpe tanden en zijn gele ogen. Maar niemand vertelde hoe hij op koude nachten tegen zijn jongen aan kroop, zodat zij het warm hadden

Niemand zag hoe diezelfde scherpe tanden voorzichtig een verdwaalde welp bij zijn nekvel optilden.

Alleen het woud zag dat.Op een herfstavond kwam een man tussen de bomen door. Over zijn schouder droeg hij een geweer. Hij had de verhalen uit het dorp gehoord en wilde thuiskomen met een verhaal waarin hij zelf de held was.

Bij een open plek bleef hij staan.Daar stond de wolf. Even keken ze elkaar aan. Toen draaide het dier zijn kop naar de struiken, waar iets kleins bewoog.

De man hief zijn geweer. Het schot scheurde door het woud.

De wolf viel. Een merel vluchtte weg. Daarna werd het zo stil dat de man zijn eigen ademhaling hoorde. Hij liep naar het dier en legde zijn hand op de grijze vacht.

‘Zo,’ mompelde hij. ‘Dat beest doet niemand meer kwaad.’

‘Wie bedoel je?’ De man draaide zich om.

Naast een oude eik stond een klein vrouwtje, met een mantel van herfstbladeren. Haar gezicht was gerimpeld als boomschors.

‘De wolf natuurlijk.’

Het vrouwtje keek naar het geweer.

‘Kom dan eens kijken.’ Ze raakte met een dunne tak zijn hand aan.

Plotseling stond de man ergens anders. Lager bij de grond. De wereld rook naar vochtige aarde, paddenstoelen en een vertrouwde vacht.

Hij zat onder de wortels van een omgevallen boom.

Naast hem bewogen twee kleine wolvenlijven. Een van de welpen duwde zijn neus tegen hem aan.

En hij voelde iets wat hem de adem benam. Wachten. Wachten op voetstappen tussen de bladeren. Op warmte. Op degene die altijd terugkwam.

Maar vanavond kwam er niemand. ‘Genoeg,’ fluisterde de man.

Het vrouwtje liet zijn hand los.

Weer stond hij op de open plek, naast de dode wolf. Hij knielde neer. Nu zag hij de modder aan de poten, de oude littekens en het zachte haar achter de oren.

‘Kan jij hem terugbrengen?’ vroeg hij. Het vrouwtje schudde haar hoofd.

‘Niet alles wat een mens kapotmaakt, kan door toverij worden hersteld.’

Lang bleef hij zitten. Toen stond hij op en volgde de kleine pootafdrukken naar de omgevallen boom.

Op ruime afstand bleef hij wachten, tot tussen de stammen een tweede volwassen wolf verscheen. Hij zag hoe de welpen naar haar toe tuimelden.

Pas daarna verliet hij het woud. In het dorp vroegen ze of hij het monster had gevonden.

De man zette zijn geweer neer.

‘Ik heb een wolf gevonden,’ zei hij zacht. ‘En iets in mijzelf waarvoor ik veel banger ben.’

Die nacht vertelde het oude woud het verhaal door aan de wind.

Over een beest met scherpe tanden.

En een mens die eindelijk begreep dat je geen klauwen nodig hebt om een monster te worden.