De avond waarop het woud zijn licht deelde

 

Er was eens een herfstavond waarop het woud zo stil werd dat zelfs een vallend blad zich leek te verontschuldigen. Welkom bij een fabel uit het hart van Den Treek Henschoten, waar het gefluister van de bomen bijna tastbaar is.

Aan de oever van de Maanmeren zat Liora de Lantaarnfee naast Mirel. Boven hen kleurden de eiken goud en koper. De maan spiegelde zich in het water, terwijl de witte waterlelies langzaam hun bloemen sloten.Liora hief haar lantaarn op.‘Vreemd,’ fluisterde ze. ‘Mijn licht wordt kleiner.’

Mirel boog zich over het meer. Haar zilveren haren streken langs het water.‘Het mijne ook.’

Ze liet haar vingers door de weerspiegeling van de maan glijden. Normaal dansten er honderden lichtpuntjes over het meer. Nu verschenen er slechts drie. Eén ervan doofde met een piepklein zuchtje.Liora keek bezorgd naar haar vriendin.‘Hebben we iets verkeerd gedaan?’

Mirel schudde haar hoofd.‘Laten we eerst gaan luisteren.’Samen verlieten ze de oever. Liora droeg haar lantaarn voorzichtig met beide handen, alsof er een slapend vogeltje in zat.Onder de oudste eik van het woud wachtte de Kraaienwachter.Op zijn schouder zat een zwarte vogel met een bijzonder ernstige blik. Op een tak boven zijn hoofd zat nog een kraai, die vooral belangstelling had voor een eikel.Aan de voeten van de wachter lag Vixela de Schaduwvos. Haar roodbruine vacht gloeide in het laatste avondlicht en rond haar donkere poten kringelden zachte slierten schaduw.Toen de twee vrouwen naderden, sprong ze op.‘Jullie hebben het ook gemerkt,’ zei de Kraaienwachter.Liora liet haar lantaarn zien. Het vlammetje was inmiddels nauwelijks groter dan een vuurvliegje.De kraai op zijn schouder boog zich voorover.‘Kra,’ zei hij.‘Inderdaad,’ antwoordde de wachter.Mirel glimlachte voorzichtig.‘Wat zei hij?’

‘Dat we hier al veel te lang staan en beter iets kunnen gaan doen.’Vixela snuffelde aan het pad, keek nog eenmaal achterom en verdween tussen de varens.‘Volg haar,’ zei de Kraaienwachter. ‘Zij vindt zelfs een weg wanneer het licht hem vergeten is.’

En zo trokken ze verder: de fee met haar kleine vlam, de vrouw met maanlicht in haar haren, de wachter met zijn vogels en de vos die geruisloos voor hen uit liep.

Diep in het bos, tussen bemoste wortels en glanzende paddenstoelen, zat Bram Wortel.

Zijn houten handen rustten op zijn knieën. In zijn wortelbaard bleef telkens een herfstblaadje steken, dat hij er geduldig weer uit plukte.Naast hem zat Kreukel de Paddenstoelenprater te luisteren naar een kleine paddenstoel.‘Ja, ja,’ mompelde hij. ‘Ik begrijp het. Maar je kunt toch moeilijk de hele winter je hoed ophouden én verwachten dat er geen druppel op valt.’

Lysandra Mergeldauw zat aan Brams andere zijde. Op het blad in haar handen lagen heldere dauwdruppels, maar ook die schitterden minder dan anders.‘Gelukkig,’ zei ze toen de anderen aankwamen. ‘Nu zijn we compleet.’

Kreukel keek op.

‘Bijna. Deze meneer wil ook graag meepraten.’

Hij wees naar de paddenstoel.

‘Maar hij praat nogal zacht en heeft veel te vertellen.’

Bram legde een hand tegen de aarde. Iedereen werd stil.

Onder hen ritselde iets. Het geluid reisde langs de wortels, onder de varens door en diep het woud in.

‘Het woud is moe,’ zei Bram ten slotte. ‘De bomen hebben hun blad